VLUCHTELING

Ze was om het krijgsgeweld weggevlucht
en na de eindeloze tijd op haar vlot in zee
Ze verspreidde desondanks geen zeelucht
ze droeg slechts krijgslucht met zich mee

Men had haar weggemoffeld in een kamp
en verteld dat het enkel tijdelijk zou zijn
Zeer koude winter zonder kachel en lamp
juist dertien en geen schijntje zonneschijn

In stille nachten vroeg ze of het slim was
aan hem, die in die hoge hemel resideert
Hoe het nu ging met kinderen uit de klas
en was die vlucht verstandig of verkeerd?

In de nacht staarde ze naar het firmament
probeerde dan alle stille lichtjes te vragen
Om een zijn, vol van naastenliefde cement;
ze gaf aan ook haar steentje bij te dragen

Op een nacht schok ze van ’t zuchten nabij
angstig wachtte ze wat er geschieden zou
Een stinkende kerel kroop weldra langszij
en onder ’t dek tastte direct zijn klauw

Ze wilde gillen; gilde slechts geluidloos;
compleet verstijfd moest ze alles toelaten;
Voor ‘t smerig werk gaf hij vijftien euro’s
die konden ’t arme kind ..niet meer baten

Haar teer hartje kon niet meer verder leven
de ervaring schonk haar hart te veel leed
Ze kon zijn verfoeilijke ontering niet aan,
en wat hij haar teer lichaampje aandeed

Weggevlucht uit haar strijdend vaderland
voor ontelbare kogels en heel veel bommen
Keerde ze nu terug naar haar vaders land,
daar ze in ‘t eeuwige leven is geklommen