TWEEDERANGS LEVEN

Het was nacht, ’t was stil en grauw
dodelijk stil schoven wolken langs
Zwijgend schreeuwend kom gauw
je ervaart je leven als tweederangs

Een lokstem verbrak ’t grauwe stil
althans zo voelde het meisje zwart
Die stem weet dat ik niet leven wil
met enkel kilte in mijn droeve hart

Ze dacht terug aan die oude tijden
toen ‘t geluk haar deelgenoot was
Toen ze niet zo veel hoefde lijden
toen ze nog leefde zonder die kras

Het hopen had ze lang al verleerd
die ware was steeds weggebleven;
Geleidelijk ging alles nu verkeerd
zou ze zich aan ’t dode overgeven

Deze nacht moest dat geschieden;
haar einde leek toen al heel nabij
God hoorde het; ging ’t verbieden;
bijgevolg kwam dat meisje bij mij