OPDRACHT AAN GOD

Het graf lag afgelegen en onverzorgd treurig
geen mens bekeek nog zijn naam in het steen
Het onkruid tierde overal welhaast willekeurig
hij lag op die eenzaamste plek, alweer alleen

Hij had de laatste deur overijld dichtgeslagen
verlangend naar een wachtende, dodelijke rust
Wanhoop, die zijn hart nauwelijks kon dragen
tot de dood hem eindelijk welkom had gekust

Een treurwilg stond in duizend droeve tranen
hij had die dode tot aan het eind toe begeleid;
Hij diende niettemin die weg alleen te gaan en
zag aan het eind de afslag naar de eeuwigheid

Zijn zerk lag achteraf alleen en onverzorgd stil
onkruid woekerde alom en ‘t verborg zijn naam
Onlangs bekrachtigde hij God zijn uiterste wil,
met ‘t bevel, breng mijn lief en mij weer saam