OP DE SNELWEG

Voor mij reed er een stokoude man
ach, zulks veronderstelde ik althans
Want hij reed met een slakkengang
hem passeren. Mij ontbrak die kans

Het verkeer was daar stervensdruk
had die oude grijsaard genoeg tijd?
Van al was dit ’t traagst hoofdstuk,
moest ik constateren, tot mijn spijt

Graag zou ik hem een duw geven
roepend, ik heb nooit zoiets gezien
Misschien is zulks wel overdreven
kon ’t autootje niet rapper dan tien

Na zo ongeveer een ruim kwartier
zag ik plots mijn fantastische kans
Ik dacht, ik passeer dat slakkendier
dat oudje, ‘t kereltje, die lapzwans

Passeren, ‘t gelukte mij echter niet
kende hij dan niet ‘t woord ‘spoed’
Deze oude grijsaard; deze deugniet
werkte hij bij een begrafenisstoet?

Tenslotte lukte het inhalen dan wel
laaiend zocht ik naar die chauffeur
Tijd genoeg, hij ging toch niet snel
maar het grijze had een lichte kleur

Toen plotseling, zag ik zijn gezicht
vriendelijk glimlachte het naar mij
Wat ik zag, deed de deur echt dicht
de oude vogel bleek.. een jonge zij

Oh nee! Niet zomaar een jonge zij
waarachtig een heuse droomprinses
Oh foei! Zij toonde mij zo haar dij!
plus een bordje, met haar huisadres

Waarom liet ze mij zo haar dij zien
was zij misschien op de versiertoer
Of was dit meisje van bijna achttien
dan zeker een…h.. publieke vrouw?