HET VERKEERSLICHT

Toen ze nog het lief tienermeisje was
van zo rond vijftien a zestien jaar oud
Leek ze het minst schone van de klas
van die bloem was de knop van goud

Op zekere dag ontmoette ze een man
haar man dat wist ze eventjes nog niet
Hij vond haar aantrekkelijk o, dat kan
voor haar was er al wat veel geschied

Getuige was ‘t spiegeltje aan de wand
zij hield haar oogjes evenwel gesloten
Ja, hij was beslist niet zomaar iemand,
hij wilde haar en hij was vastbesloten

Voor het verkeerslicht ‘vroeg’ hij haar;
dat vragen kun je maar beter vergeten
Hij zei te trouwen aan ‘t eind, dat jaar;
zij wilde daar beslist graag van weten

Nog duizenden staken er over, na hen
niemand ziet daar enige herinnering in
Deze liefde beschrijft nu nog geen pen
ze genoten van elkaar sedert het begin

Wellicht weet je reeds wie die twee zijn
zo niet wacht dan nog een kort ogenblik
Hun eerste ontmoeting werd al heel fijn
en jawel, die gelukkigen zijn Ans en ik