BLOED EN TRANEN

In ‘t winter donker, enkel op de tast,
vond haar hand bijna vanzelf de weg
Vanuit haar bed zocht ze in haar kast
naar het mes, dat ze vond bij de heg

Nu al drie uur huilde ze zonder traan
want ‘t eenzaam deed haar zo’n pijn
Na zoveel jaar van altijd alleen staan
dacht ze aan de dood onder een trein

Voetje voor voetje, zacht de trap af,
tot ze de ijskoude tegels had bereikt
Ze verdiende immers wederom straf
daar ze de heel de dag was afgezeikt

In ‘t duister hoekje op de keldertrap
kerfde ‘t spitse mes zijn diepe voren
En even later drupte al haar rode sap
ze kon het spatten op de tegels horen

Ze voelde koude op haar blote voet
kreeg angst voor naderend afscheid
Ze voelde zich echter.. eventjes goed
doch daarna kwam als altijd de spijt

Die nacht haar polsen doorsnijden;
het plan was in ’t eenzaam ontstaan
Ze nam ‘t besluit, die lieve meid en
besloot erna pijn te stillen met traan