ALS IK TOCH EENS RIJK WAS

Als ik warempel eens schatrijk zou zijn
zuchtte de man, wrijvend in zijn handen
Dan kuste ik alle meisjes in maneschijn
en lag ik te rollebollen op stille stranden

Als ik nu waarachtig eens steenrijk was
zuchtte de hete kerel in een vrouwennek
Dan zou ik waterskiën over een bierglas
en kocht ik jouw kater rap een druiprek

Als ik nu zowaar een rijke kerel zou zijn
zuchtte een kelner en nam de slok drank
Dan kroop ik nooit lazarus over ’t plein;
dan had ik altijd bergen poen, Goddank!

Als ik nu eens bepaald steenrijk zou zijn,
zuchtte de eenzame te impotente boer en
Dan was mijn speelbeest nimmer te klein
dan lag ik meest op de hoe.. mijn boerin